Een man die nergens lijkt te passen

Mijn cliënt leeft al vijftien jaar op straat. Ondanks een WLZ-indicatie lijkt hij nergens echt te passen binnen de zorg. Toch blijft hij vriendelijk, zorgzaam en opvallend positief. Op een koude donderdagmiddag zoeken we elkaar weer op — en lukt iets wat al een jaar niet lukt: samen naar de prik-locatie gaan. En onderweg laat hij opnieuw zien hoeveel veerkracht er in een mens kan zitten.

Mijn cliënt is al vijftien jaar dak- en thuisloos. Hij heeft een WLZ-indicatie op basis van een verstandelijke beperking en GGZ-problematiek, maar in de praktijk lijkt hij nergens goed te passen. Te complex voor het één, te zelfstandig voor het ander. En dus leeft hij al jaren op straat.

Wie hem ontmoet, ziet niet meteen iemand met een zwaar leven. Hij is vriendelijk, zorgzaam en bijna altijd opgewekt. Hij drinkt graag een biertje en gebruikt soms “wat andere middelen” zoals hij dat zelf benoemd — niet in overvloed, maar zichtbaar onderdeel van zijn bestaan. En toch: hij lacht, maakt grapjes en toont oprechte belangstelling voor de mensen om hem heen.

Afspraak of toeval

Als ik hem wil ontmoeten, blijft het altijd de vraag of hij daadwerkelijk komt. Dagen en tijd hebben voor hem weinig betekenis. Zo ook vandaag. Na een mislukte poging vorige week bel ik hem opnieuw. Bellen kan alleen via de locatie waar hij overdag soms verblijft, een vrijwilligersorganisatie met hart voor de mensen. Ik vraag of hij ’s middags op locatie X wil zijn. Hij zegt dat hij daarheen zal gaan.

Na een half uur wachten zakt de moed me weer in de schoenen. Ik besluit de stad in te lopen, langs de plekken waar hij vaak overdag verblijft. En inderdaad — op de tweede locatie tref ik hem aan. Hij zit op een bankje, buiten, starend voor zich uit.

Hij vertelt dat hij erg moe is. Hij denkt dat het woensdag is, terwijl het toch echt inmiddels donderdag is. Slapen lukt slecht door de kou ’s nachts en als het dan wel lukt wordt hij met regelmaat gewekt door handhaving of politie omdat hij op die plekken niet mag slapen in het openbaar.

“Het is onmogelijk om zijn leven te romantiseren, maar net zo onmogelijk om zijn veerkracht niet te bewonderen.”

Angst voor wat er gevonden kan worden

We praten wat en ik vraag of hij mee wil om bloed te laten prikken. Een jaar geleden heeft de arts al aangegeven dat zij graag een uitgebreid bloedonderzoek wil, om te zien hoe het in het algemeen met hem gaat. Telkens neemt hij het formulier netjes mee, maar hij verschijnt nooit op de priklocatie.

Vandaag zegt hij eerlijk dat hij niet wil. Hij is bang voor de uitslagen.

Ik vraag waar hij precies bang voor is. In eerste instantie ga ik er vanuit dat hij bang is dat hij wellicht ziek is en dit liever niet weet. Maar hij verrast me, hij vertelt dat hij vreest dat ze in zijn bloed zullen zien dat hij alcohol of drugs heeft gebruikt en dat hij dan gedwongen opgenomen wordt. Ik neem de tijd om uit te leggen waarom we het bloedonderzoek willen. Dat het gaat om zijn gezondheid. Dat je soms ziektes kunt hebben, zoals suikerziekte of ontstekingen, zonder daar direct iets van te merken.

Hij vraagt het nog een keer. Of het écht niet is om hem op te laten nemen.
Ik verzeker hem opnieuw.

Dan knikt hij. Hij gaat akkoord.

Onderweg door zijn leven

We lopen samen richting de priklocatie. Onderweg vertelt hij honderduit. Over zijn jeugd, het gezin waarin hij is opgegroeid, wat hij heeft meegemaakt. Het maakt indruk op me. Het leven is niet makkelijk geweest voor hem. En dan iemand met zo’n zwaar leven, die tóch zo positief in het leven staat.

Hij vertelt ook wat hij het allerliefste wil: een eigen woning. Hij denkt dat al zijn problemen zich dan vanzelf zullen oplossen. Ik laat dat in het midden. Ik vertel hem dat hij op de wachtlijst staat voor een locatie beschermd wonen en dat ik goede hoop heb dat er op korte termijn plek voor hem komt. Hij reageert hier enthousiast maar ook wat gereserveerd op. Hij kent de beloftes maar al te goed maar weet ook dat het niet altijd uitpakt hoe hij hoopt.

Elke tien meter komen we wel iemand tegen die hij kent. Ik moet hem regelmatig aansporen om door te lopen, zodat we op tijd zijn. Dat vindt hij lastig, maar hij gaat mee. Hij is een graag geziene Rotterdammer. Veel mensen kennen hem en hij kent hen. Altijd in voor een praatje, altijd een grapje paraat. Zijn gunfactor is groot. Over een stuk van circa 15 minuten doen we bijna een uur, maar dat is prima. Het gesprek is meer waard.

Acht lagen kleding en een opluchting

Bij de priklocatie zie ik de dame die moet prikken even schrikken wanneer hij binnenkomt. Maar binnen een minuut kantelt de sfeer. Met zijn open houding en humor stelt hij iedereen op zijn gemak. Hij praat, maakt grappen en blijft zichzelf.

Het bloed wordt afgenomen. Het zit erop.

Hij trekt zijn acht lagen kleding weer aan. Het is koud buiten — laagjes werken het beste. Dat weet hij als geen ander.

Diepvries-soesjes

Onderweg terug praten we verder. Over zijn overleden vader en moeder. Over vroeger. Over gemis. Als we langs de supermarkt lopen, stop ik hem. Ik weet dat hij morgen jarig is en vraag of hij zin heeft in iets lekkers.

Hij lacht en zegt dat dat niet hoeft.

Ik zeg dat ík het graag voor hem doe. Na even twijfelen kiest hij een doos diepvries-soesjes uit. Hij wil me niet op kosten jagen, zegt hij. Ik bewonder dat in hem. Na alles wat hij heeft meegemaakt, blijft hij bescheiden, dankbaar en voorzichtig richting een ander.

Zo’n zwaar leven — en toch zoveel positiviteit en nederigheid.
Daar kunnen velen iets van leren.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *