Wie staat er naast haar als ik het niet meer kan?

Je hebt al jarenlang de zorg voor je zoon of dochter met een verstandelijke beperking. Hij of zij woont in een instelling, maar je bent betrokken gebleven bij de zorg. Je wordt ouder en je maakt je zorgen wie er straks voor de belangen van je kind opkomt, als je het straks zelf niet meer kan of als je er zelfs niet meer bent…..

Ik word benaderd door een persoonlijk begeleider. We kennen elkaar ondertussen goed vanwege eerdere aanmeldingen. Hij vraagt een mentor voor een dame van eind 40, waarbij het netwerk erg broos is. De cliënt kan moeilijk beslissingen nemen en wordt door anderen beïnvloed. Vader is overleden, moeder is nog in beeld, maar wordt ouder.

Ik heb helaas geen beschikbare mentoren, maar we spreken af dat ik over 2 maanden weer contact opneem. Dat wordt gewaardeerd, er is niet direct haast bij.

2 maanden later neem ik weer contact op en we besluiten een intake te plannen. Naast Karin, de cliënt, is ook de persoonlijk begeleider en haar moeder aanwezig. Als ik aanbel, verschijnt er een vrolijk uitziende dame in de deuropening. Ze stelt zich voor met haar voornaam en 3 doopnamen.

‘Dat is handig met Sinterklaas, dan krijg je veel chocoladeletters.’

De toon is gezet en ik weet meteen dat ze humor heeft.

We maken verder kennis en zo hoor ik van haar en haar moeder dat ze graag een mentor willen. Moeder is op leeftijd en zorgt op haar manier nog steeds voor Karin. Ze gaat ook regelmatig een aantal dagen naar moeder toe. Karin heeft ook nog een broer, maar hier is nu een aantal maanden geen contact mee en daarvoor maakte het contact haar van streek.

De aanvraag is niet alleen bedoeld om moeder nu te ondersteunen. Ze wil vooral weten dat het goed geregeld is voor het moment waarop zij er niet meer kan zijn. Dat er iemand naar haar dochter blijft omkijken, haar bezoekt en voor haar belangen opkomt wanneer Karin dat zelf niet kan. Moeder heeft dit proces zelf in gang gezet en het stelt haar gerust dat ze weet dat er altijd iemand voor haar dochter zal zijn.

Zelf geeft Karin aan dat ze het fijn zou vinden om naast haar moeder ook iemand anders te hebben met wie ze dingen kan overleggen en bespreken. Karin heeft een licht verstandelijke beperking, schizofrenie en autisme. Daardoor kan het voor haar lastig zijn om situaties te overzien en zelfstandig beslissingen te nemen.

Ze wenst een mentor bij wie ze zich comfortabel voelt, met wie ze goed kan praten en een band kan opbouwen. Ze zoekt iemand die naast haar staat: die ondersteunt waar dat nodig is, maar niet overneemt wat Karin zelf kan. Iemand met wie ze een vertrouwensband kan opbouwen, maar die haar ook haar eigen keuzes laat maken. Tot slot geeft ze aan dat ze graag een vrouwelijke mentor zou krijgen. En iemand die het leuk vindt om af en toe wat met haar te gaan wandelen of naar een winkel te gaan.

We spreken af dat we de aanvraag gaan doen naar de rechtbank en dat ik op zoek ga naar een mentor die bij haar vraag past. En dat als ik die nog niet gevonden heb zodra de beschikking is afgegeven, ikzelf het mentorschap tijdelijk op me zal nemen.

Ze bedankt me en is zichtbaar opgelucht na het gesprek.

‘Weet je zo genoeg van me?’

Ik heb zeker een goed beeld van deze dame met haar grapjes.

Wat gun ik Karin een mentor die bij haar past. Een vrouw met wie ze kan praten en lachen, die af en toe met haar op pad gaat en die er vooral is wanneer dat nodig is.

Misschien denkt u nu: ‘Ik zou wel wat willen betekenen voor een dame zoals Karin.’ Neem dan contact met ons op, zodat we wat meer kunnen vertellen over wat het mentorschap inhoudt.

Steeds vaker krijgen we de vraag van betrokken ouders om mentor te worden. Het stelt gerust en helpt ouders om een deel van de zorg los te laten. Door het mentorschap op tijd te regelen, kunnen zij bovendien zelf nog betrokken zijn bij de overgang en kennismaken met degene die straks naast hun kind staat.

En dat is toch alles waard!